Visie

Deze tekst wordt door het jongerenteam beschouwd als een werkinstrument. Dit betekent dat deze tekst (nog) niet af is.

In de jaren '80 ontstond er internationaal meer belangstelling voor de thematiek van adolescente plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag. In eigen land liet deze evolutie langer op zich wachten. Hoewel er momenteel een hulpverleningsaanbod is uitgebouwd voor deze doelgroep, is er in België nog steeds een gebrek aan onderzoek naar en literatuur over adolescenten die seksueel grensoverschrijdend gedrag stelden.

Begin 2008 werden er berichten de wereld ingestuurd dat het aantal minderjarige zedenplegers steeds stijgt en dat zij steeds jonger worden. Het is niet aan ons dit gegeven te bevestigen of te ontkrachten, daarvoor is er gedegen onderzoek nodig. We stellen echter wel vast dat het jongerenteam van I.T.E.R. steeds meer aanmeldingen te verwerken krijgt. Deze stijging betekent echter niet automatisch dat er meer jongeren zijn die zedenfeiten plegen, en waarschijnlijk is deze stijging niet te verklaren door één causale factor. Maar mogelijks reflecteert het wel een grotere maatschappelijke bewustwording en een vroeger ingrijpen. Waar vroeger seksueel grensoverschrijdend gedrag, gepleegd door minderjarigen, geregeld werd beschouwd als experimenteergedrag, nieuwsgierigheid of een uit de hand gelopen seksueel spelletje, zal nu misschien toch vaker gezocht worden naar een reactie in het hulpverleningscircuit.

De jongerenwerking van I.T.E.R is een multidisciplinair team, dat tot stand is gekomen met de steun van de Provincie Vlaams-Brabant. Het team bestaat uit een maatschappelijk werker, een kinder- en jeugdpsychiater en een psycholoog. Dankzij de samenwerking met BAS! vzw is er sinds kort ook een tweede psycholoog, die instaat voor het aanbieden van leerprojecten.

Het jongerenteam van I.T.E.R. biedt vorming, begeleiding en behandeling aan jongeren die seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben gepleegd. Elke jongere tussen de dertien en de achttien jaar die beschuldigd wordt van, en/of veroordeeld is voor het plegen van seksueel grensoverschrijdend gedrag kan bij ons terecht. Momenteel hanteren we slechts twee inclusiecriteria: de jongere moet Nederlandstalig zijn en in staat zijn het centrum te bereiken. Er bestaan wel een aantal randvoorwoorden, dit zijn voorwaarden die we belangrijk vinden maar die nog niet bij aanmelding vervuld moeten zijn. We willen eventueel meedenken rond het invullen van deze voorwaarden. Randvoorwaarden zijn: veiligheid, niet onder invloed zijn (middelenmisbruik), ernstige psychiatrische problematiek. Indien de randvoorwaarden niet vervuld worden kan dit betekenen dat er geen aanbod geformuleerd wordt.

Bijvoorbeeld: een jongen van zeventien jaar werd aangemeld omwille van seksueel misbruik op zijn jongere zusje van acht jaar. Het misbuik was langdurig en zeer ingrijpend, en ging gepaard met zeer veel geweld en bedreiging. Dader en slachtoffer deelden een slaapkamer. We hadden de boodschap gegeven een begeleiding te willen opstarten indien er voldoende veiligheid werd gecreëerd. Samen met het VK hadden we een aantal afspraken gemaakt. Eén daarvan was dat de jongen tijdelijk bij grootmoeder ging wonen. Uiteindelijk bleek dat de jongen één nacht bij grootmoeder was geweest en dat moeder hem daarna terug mee naar huis had genomen. Slachtoffer en dader sliepen terug op dezelfde kamer. Wij hebben toen de beslissing genomen dit dossier niet op te nemen omwille van een gebrek aan veiligheid. Samen met het VK hebben we toen beslist dit dossier over te maken aan de Jeugdrechtbank.

In de praktijk worden jongeren meestal aangemeld door vertrouwenscentra, instellingen uit de Bijzondere Jeugdzorg, het Comité Bijzondere Jeugdzorg en de (Sociale Dienst van de) Jeugdrechtbank.


 

WAT IS SEKSUEEL GRENSOVERSCHRIJDEND GEDRAG?

Voor we over gaan tot het beschrijven van onze visie over het werken met jeugdige seksuele plegers, trachten we het begrip 'seksueel grensoverschrijdend gedrag' te definiëren. Het is immers niet steeds evident om een onderscheid te maken tussen seksueel grensoverschrijdend gedrag en normaal seksueel gedrag bij jongeren. Wanneer een 16-jarige jongen, bijvoorbeeld, een seksuele relatie heeft met zijn 14-jarige vriendin, is dit dan grensoverschrijdend of niet? Juridisch gezien is iemand slechts seksueel meerderjarig op 16, en is deze situatie dus (juridisch) grensoverschrijdend. Maatschappelijke criteria liggen soms anders dan de juridische normen en zijn meer onderhevig aan verandering. Tegenwoordig zal men bijvoorbeeld niet opkijken van een seksuele relatie tussen een 14- en 16-jarig, en deze niet veroordelen (mits er aan een aantal criteria is voldaan). Wat nu juist seksueel grensoverschrijdend gedrag is, bevindt zich dus in een spanningsveld tussen de juridische en maatschappelijke normen.

Op I.T.E.R. maken we dan ook gebruik van een therapeutische definitie van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Om seksueel grensoverschrijdend gedrag uit te sluiten, moet aan volgende criteria voldaan zijn:

1. Consent (geldige instemming).

De vertaling van 'consent 'is toestemming of goedkeuring, wat betekent dat de ander met de seksuele interactie akkoord gaat. 'Consent' is echter meer dan enkel "ja" zeggen. Er zijn een aantal voorwaarden om van echte instemming te kunnen spreken:

-     Beiden moeten begrijpen wat er gaat gebeuren. Is er geen sprake van verwarring of misleiding?

-     Beiden moeten een begrip hebben van wat door de cultuur en leeftijdsgenoten als "normaal" beschouwd wordt op seksueel vlak. (Deviantie: bijvoorbeeld, dat een ongetrouwd 18-jarig meisje seksueel actief is, wordt in de westerse wereld als normatief beschouwd omdat dit niet ongewoon is binnen haar leeftijdsgroep. In andere delen van de wereld, of in andere culturen zal dit gedrag wel als deviant beschouwd worden omdat dit gedrag ongebruikelijk is in die populatie).

-     Weten beiden wat de gevolgen van dit gedrag kunnen zijn, zoals zwangerschap of ziekte?

-     De ander moet weten dat hij/zij kan toestemmen of weigeren, en weten dat een mogelijke weigering geen negatieve gevolgen zal impliceren.

-     Echte 'consent' vereist eerlijkheid.

2. Gelijkwaardigheid.

Gelijkheid verwijst naar het machts- en controle-evenwicht in de relatie tussen de betrokken personen. Macht en controle kunnen te maken hebben met zaken zoals verschil in lengte, gewicht, leeftijd, intelligentie. Er bestaan echter subtielere zaken die ook een rol spelen in de gelijkheid. Iedereen die zich de mindere voelt in een relatie kan slachtoffer worden.

3. Dwang.

Dwang verwijst naar de druk die op het slachtoffer wordt uitgeoefend om in te stemmen met het seksuele gedrag. Deze dwang kan zeer subtiel zijn, zoals manipulatie, bedrog of groepsdruk. Maar ook meer expliciet, zoals dreigementen en omkoperij, dreigen met pijn en openlijk geweld.


PREVALENTIE

Ageton (1983) schat dat 2 tot 4 % van de mannelijke adolescenten seksueel grensoverschrijdend gedrag zou gepleegd hebben. Hoewel de prevalentie van seksueel misbruik dus laag lijkt bij adolescenten, blijkt toch dat een substantieel deel van alle zedendelicten toegeschreven kan worden aan jeugdige plegers. Zo zou ongeveer 20 tot 30 % van alle verkrachtingen en 30 tot 50 % van seksueel misbruik ten aanzien van kinderen gepleegd worden door adolescenten. Er bestaat weinig of geen wetenschappelijk onderzoek naar de prevalentie van seksueel grensoverschrijdend gedrag door jongeren in België, maar we kunnen aannemen dat de cijfers uit het buitenland vergelijkbaar zijn met die in België [1].

            Wat betreft de prevalentie van seksueel misbruik, is het belangrijk te weten dat er een zogenaamd 'dark number' bestaat, namelijk die feiten die niet zijn opgenomen in de officiële statistieken. De meeste auteurs zijn het erover eens dat het dark number groot is. Hiervoor zijn er verschillende verklaringen: vaak wordt er geen aangifte gedaan van het seksueel grensoverschrijdend gedrag, de jongere (en zijn omgeving) minimaliseert of ontkent de feiten, en seksueel grensoverschrijdend gedrag door minderjarigen wordt dikwijls nog beschouwd als experimenteergedrag. Dit betekent dat de bestaande prevalentiecijfers vermoedelijk een grote onderschatting vormen van het eigenlijke voorkomen van zedenfeiten gepleegd door minderjarigen.

Met deze cijfers willen we aantonen dat een substantieel deel van alle seksuele delicten gepleegd wordt door minderjarigen en dat adolescente plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag dus een niet te negeren groep zijn.



 

DE ACHT BASISPRINCIPES VOOR HET WERKEN MET ADOLESCENTE PLEGERS VAN SEKSUEEL GRENSOVERSCHRIJDEND GEDRAG:

- Deze principes werden overgenomen uit de 'Standards of Care'[2] van IATSO. We vertrekken vanuit de acht criteria waaraan, volgens hen, hulpverlening aan adolescente plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag moet voldoen en beschrijven deze binnen onze werking. -


 

1. Jongeren worden het best begrepen vanuit de context van hun familie en sociale omgeving.

Per definitie zijn jongeren meer afhankelijk van de wereld rondom hen dan volwassenen. Niemand zal betwisten dat de familiale omgeving van primaire invloed is op de ontwikkeling van een kind. Hieruit volgt dat adolescent probleemgedrag (waaronder ook seksueel grensoverschrijdend gedrag) gerelateerd is aan de kenmerken van het gezin[3]. Ook de sociale omgeving, zoals de school en leeftijdsgenoten, hebben een belangrijk invloed op de ontwikkeling van de jongere.

Met deze uitspraak is het niet de bedoeling schuldinducerend naar ouders en/of andere belangrijk figuren in het leven van de jongere te zijn, of de verantwoordelijkheid voor het seksueel grensoverschrijdend gedrag bij hen te leggen. We willen hier enkel benadrukken dat jongeren binnen de context van hun gezin, school en andere sociale systemen begrepen moeten worden, aangezien deze een wezenlijke invloed hebben op de ontwikkeling en de persoon van de jongere, en dus ook op het verloop van de begeleiding.

2. Assessment en behandeling van jongeren moet gebaseerd zijn op een ontwikkelings-perspectief, moet sensitief zijn voor veranderingen en moet een voortdurend proces zijn.

Voordat we een aanbod formuleren, doorlopen we met elke jongere een evaluatiefase. Assessment wordt vaak gedefinieerd als het vaststellen van de onderscheidende kenmerken van een individu, waaraan de keuze van interventie wordt opgehangen. Het doel van deze evaluatieprocedure is dus een beter zicht te krijgen op de jongere en zijn omgeving. We proberen te begrijpen waarom de jongere seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft gesteld. Op deze manier willen we nagaan welke hulp het meest is aangewezen en stemmen we deze af op de individuele noden van de jongere.

De adolescentiefase is echter een periode van ingrijpende veranderingen. Het is een tijd van bewustwording van seksuele interesses maar ook, voor vele jongeren, een tijd van bereidheid tot het stellen van grensoverschrijdend gedrag (het breken van regels), wat zich niet steeds voortzet in de volwassenheid. Prentky en Righthand (2003)[4] stellen dat "geen enkel aspect van de ontwikkeling van jongeren, ook niet de cognitieve ontwikkeling, stabiel of vastgelegd is".

            Dit impliceert dat de bevindingen van de eerste evaluatiefase voortdurend herzien en aangepast moeten worden.


3. Assessment en behandeling moet ook focussen op de sterktes van jongeren.

Binnen de evaluatieprocedure wordt er op zoek gegaan naar risicofactoren. Onze primaire doelstelling is immers steeds het voorkomen van herval, en derden (en de maatschappij) vragen vaak om een inschatting van het risico. Toch moeten assessment en begeleiding zich ook richten op een positieve ontwikkeling op lange termijn, naast het bevorderen van veiligheid op korte termijn. Daarom is het belangrijk om ook de sterktes, mogelijkheden en vaardigheden van de jongeren in rekening te brengen. Hoe kunnen we immers werken aan de zwaktes of de problemen, als we geen rekening houden met de sterke kanten van de jongere en zijn omgeving.


4. De ontwikkeling van seksuele interesse en oriëntatie is dynamisch. De seksuele interesses van jongeren kunnen veranderen gedurende de adolescentie, bovendien is dit de periode dat seksuele oriëntatie ontstaat.

De seksuele opwindingspatronen van jongeren zijn ongrijpbare thema's binnen zowel de evaluatie als binnen de therapie. De adolescentie is, bij definitie, een periode van versnelde sociale en seksuele ontwikkeling. Het is dus logisch dat de seksuele interesse en opwinding tijdens de adolescentiefase onderhevig zijn aan verandering [5]. Hoewel adolescente plegers wel seksueel afwijkend gedrag kunnen stellen, ervaart de meerderheid van deze groep geen hardnekkige en verankerde seksuele deviantie [6].

            In dit opzicht is het dus van belang de seksuele ontwikkeling van de jongere op te volgen. Wij trachten tijdens de gesprekken een zo open mogelijke sfeer te creëren, zodat we jongeren de kans geven hun vragen rond seksualiteit aan te kaarten en hun onzekerheden te uiten.


 

5. Adolescente plegers van seksueel grensoverschrijdend gedrag zijn een heterogene populatie. Deze doelgroep moet dan ook niet benaderd worden met een 'one size fits all' methode.

De huidige literatuur over adolescente plegers slaagt er niet in een empirische basis te geven wat betreft de ethiologische en instandhoudende factoren van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Toch tonen de beschikbare gegevens aan dat er waarschijnlijk verschillende ontwikkelingstrajecten naar seksueel grensoverschrijdend gedrag en recidive bestaan [7]. Bovendien kunnen er een aantal veel voorkomende kenmerken van adolescente plegers beschreven worden maar het is belangrijk om te onthouden dat deze niet aanwezig zijn bij alle jeugdige plegers. Er bestaat immers ook een groep van adolescente plegers bij wie weinig of geen van deze kenmerken aanwezig zijn. Bovendien worden vele van deze kenmerken ook teruggevonden bij kinderen en jongeren die niet overgaan tot het plegen van seksueel geweld.  Er is dus geen factor X, een pathologie of uniek kenmerk dat elk seksueel grensoverschrijdend gedrag kan verklaren. Men is het er over eens dat dé adolescente seksuele pleger niet bestaat. Zij vormen een heterogene groep en dit impliceert dat zij verschillende noden en vaardigheden hebben en dus niet gebaat zijn met een 'one size fits all methode.

Concreet betekent dit dat binnen I.T.E.R. elke begeleiding start met een evaluatieprocedure. Het doel van de evaluatieprocedure is een beter zicht te krijgen op de jongere en zijn omgeving. We proberen te begrijpen waarom de jongere seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft gesteld. Maar naast het probleemgedrag, brengen we ook de sterke kanten van de adolescent en zijn context in rekening. Op deze manier willen we nagaan welke hulp het meest is aangewezen en de begeleiding aanpassen aan de individuele noden van de jongere. Want net zoals dé minderjarige pleger niet bestaat, is er ook geen sprake van dé standaardbehandeling binnen I.T.E.R..


 

6. Therapie zou 'broad-based' en allesomvattend moeten zijn.

Onderzoek toont aan dat de meest succesvolle therapieën deze zijn die allesomvattend zijn [8]. In het werken met adolescente plegers onderschrijven wij het Good Lives Model [9]. Dit model stelt dat terugvalpreventie noodzakelijk maar niet voldoende is, er wordt een inbedding van terugvalpreventie in het Good Lives Model voorgesteld. Terugvalpreventie tracht door inzicht in de delictketting een aantal risicofactoren uit te schakelen, zodat de jongere geen nieuwe feiten pleegt. Het terugvalpreventiemodel focust met andere woorden dus voornamelijk op het "slechte": het uitschakelen van inadequate attitudes, het verminderen van cognitieve distorties, het elimineren van de deviante seksuele interesse.

            De aanname van het Good Lives Model is dat elke menselijke actie gezien kan worden als een poging om één van de primaire 'goods' te bereiken. Voorbeelden van deze goods zijn vriendschap, geluk, creativiteit, kennis, … Binnen dit model wordt seksueel grensoverschrijdend gedrag gezien als een inadequate, onaangepaste poging om één van deze goods te bevredigen. In de behandeling van adolescente daders is het dan ook van groot belang niet alleen de risico's aan te pakken maar ook groei te bevorderen. De focus ligt op het installeren van vaardigheden om deze goods op een sociaal aangepaste en persoonlijk betekenisvolle manier te verwerven, wat niet betekent dat er geen aandacht is voor terugvalpreventie. We streven er dus naar om de jongere in zijn gehele persoon te begeleiden. Dit betekent dat er onder andere aandacht is voor het bevorderen van het zelfwaardegevoel, voor het leren van seksuele, relationele en sociale vaardigheden; voor het opnemen van verantwoordelijkheid; ... Natuurlijk is er binnen de begeleiding ook plaats voor vragen die de jongere zelf stelt, hij heeft inspraak in de thema's die opgenomen worden in de therapie.


 

7. Labels bij jongeren kunnen meer iatrogeen zijn dan bij volwassenen. De jongeren en hun gezin moeten met respect en waardigheid behandeld worden.

Niemand zal ter discussie stellen dat jongeren inherent afhankelijk zijn van hun omgeving. Dit geldt echter ook voor de taal die we gebruiken om hen te beschrijven. We moeten voorzichtig zijn om te jongeren als deviant of pervers te beschrijven. We moeten een taal gebruiken die het gedrag van jongeren, en niet hun persoon, labelt. Anders bestaat immers het risico deze labels een onderdeel van de identiteit van de jongere wordt en er zo een 'self-fulfulling prophecy' ontstaat: "Als ze zeggen dat ik delinquent ben, waarom zou ik dan geen feiten plegen?"

            Wij hanteren de aanname dat gedrag en persoon niet samenvallen. Dit betekent dat we bepaald gedrag wel zullen veroordelen, maar nooit de persoon. Daarom spreken we ook over 'jongeren die seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben gepleegd' en niet over 'verkrachter', 'seksuele daders' of 'delinquenten', ook al maakt dit onze zinnen soms bijzonder complex…

            We zijn er ons van bewust dat onze dienst 'I.T.E.R. - Centrum voor daderhulp' heet, wat op zich al een label is voor de jongeren die bij ons in begeleiding zijn.


 

8. Effectieve interventies moeten gebaseerd zijn op onderzoek, geleid door klinische ervaring, en niet door populaire overtuigingen of sensationele zaken in de media.

Dit behoeft geen verder betoog. Als jongerenteam vinden we het belangrijk om de ontwikkeling van de wetenschappelijke literatuur te volgen en ons steeds bij te scholen. We willen ons niet laten leiden of onder druk laten zetten door de algemene opinie.



[1] Seksueel misbruik aanpakken op jonge leeftijd. Hulpverlening vanuit het AWW. (Roland Martein)

[2] Standards of Care for Juvenile Sexual Offenders of the International Association for the Treatment of Sexual Offenders (Michael Miner, Charles Borduin, David Prescott, Helle Bovensmann, Renate Schepker, Reinmar DuBois, Joann Schladale, Reinhard Eher, Klaus Schmeck, Thore Langfedt, Arina Smit, Friedeman Pfäfflin)

[3] Bischof, G.P., Stith, S.M. & Whitney, M.L. (1995). Family environments of adolescent sex offenders and other juvenile delinquents. &  Blaske, D. M., Borduin, C. M., Henggeler, S. W., & Mann, B. J. (1989). Individual, family, and peer characteristics of adolescent sex offenders and assaultive offenders. Developmental Psychology, 25, 846−855.

[4] Prentky, R. & Righthand, S. (2003). Juvenile Sex Offender Assessment Protocol - II (JSOAP - II).

[5] Hunter, J.A. & Becker, J.V. (1994). The role of deviant sexual arousal in juvenile sexual offending: Etiology, evaluation, and treatment, Criminal Justice and Behavior, 21, 132−149.

[6] Hunter, J.A., Goodwin, D.W., & Becker, J.V. (1994). The relationship between phallometrically measured deviant sexual arousal and clinical characteristics in juvenile sexual offenders. Behavior Research and Therapy, 32, 533−538.

[7] Boyd, N.J., Hagan, M., & Cho, M.E. (2000). Characteristics of adolescent sex offenders: A review of the research. Agression and Violent Behavior, 5, 137−146.

Hunter, J.A., Figueredo, A.J., Malamuth, N.M., & Becker, J.V. (2003). Juvenile sex offenders: Toward the development of a typology, Sexual Abuse: A Journal of Research and Treatment, 15, 27−48.

Miner, M.H. (2002). Factors associated with recidivism in juveniles: An analysis of serious juvenile sex offenders. Journal of Research in Crime and Delinquency, 39, 421−436.

Sipe, R., Jensen, E.L. & Everett, R.S. (1998). Adolescent sexual offenders grown up: Recidivism in young adulthood. Criminal Justice and Behavior, 25, 109−124.

Waite, D., Keller, A., McGarvey, E.L., Wieckowski, E., Pinkerton, R., & Brown, G.L. (2005). Juvenile sex offender re−arrest rates for sexual, violent nonsexual and property crimes: A 10−year follow−up. Sexual Abuse: A Journal of Research and Treatment, 17, 313−331.

[8] Borduin, C. M., Henggeler, S. W., Blaske, D. M., & Stein, R. (1990). Multisystemic treatment of adolescent sexual offenders. International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology, 34, 105−114.

Borduin, C. M., Schaeffer, C. M., & Heiblum, N. (2005). Multisystemic treatment of juvenile sexual offenders: Effects on adolescent social ecology and criminal activity. Manuscript submitted for publication.

Hunter, J., & Longo, R.E. (2004). Relapse prevention with juvenile sexual abusers: A holistic and integrated approach. In: G. O'Reilly, W.L. Marshall, A. Carr, & R.C. Beckett (eds.), The handbook of clinical intervention with young people who sexually abuse. Hove and New York:Brunner−Routledge

[9] A Re-evaluation of Relapse Prevention with Adolescent Who Sexually Offend: A Good-Lives Model. Thakker,  Ward, & Tidmarsh. In: The Juvenile Sex Offender. BARBAREE, H. E. & MARSHALL, W. L. The Guilford Press,  2006.